Statistics
Genealogie van [van Gurp]
This family tree was last updated on 5 April 2013.
Individuals6,028
Males3,084
51.2%
Females2,933
48.7%
Total surnames1,397
Families2,294
Sources0
Media objects0
Repositories0
Total events9,339
Total users4
Earliest birth year1374Jan Oemen
Birth about 1374 -
Latest birth year2010This information is private and cannot be shown.
Earliest death year1472Heyn Peters Beliaerts
Death before 1472 -
Latest death year2010 Sebastiana Antonia van Oorschot
Birth 31 January 1924 - Made
Death 6 April 2010 (Age 86) - Made
Person who lived the longest106Joanna Anthony Biestraten
Birth 11 August 1727 32 27 - Oosterhout
Death 11 June 1834 (Age 106) - Den Hout
Average age at death52Males: 51   Females: 53
Family with the most children15Paulus van Melsen + Maria van Eijmeren
Marriage 16 November 1749 - Kampen
Average number of children per family1.64 
View statistics as graphs

Most Common Surnames

News
“Gorp - De Ley”
28 March 2012 - 23:58:50

Natuur zelf penseelde romantisch schilderij “Gorp - De Ley”

Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 25 april 1964

Ze zijn er altijd geweest en ze zullen er wel steeds blijven:

mensen, die als weldadige reactie op het jachtige leven van de stad, het stille maar voor hart en geest weldadige gesprek met de natuur voeren. In onze streken verkeren we daarvoor in nogal begenadigde omstandigheden, waarbij men niet enkel aan Oisterwijk behoeft te denken. Ook het gebied ten zuiden van Goirle neemt een waardige plaats in in het parelsnoer van de Brabantse hei en bossen. Maar de landhonger grijpt ook hier voortdurend om zich heen, zodat reeds veel onvervangbaars voor altijd is verdwenen. Maar daarom juist stemt het tot zulk een verheugenis, dat de Stichting “Het Noord-Brabantse Landschap” er kort geleden in geslaagd is hier een waardevolle bezitting te verwerven, waardoor het behoud van een prachtig stuk natuur- en landschapsschoon voor de toekomst gewaarborgd is. We doelen op het complex “Gorp - De Ley”. Voor velen is dit gebied “terra incognita”.

“Gorp” is zo groot

De benaming “De Ley” moet van vrij recente datum dateren. In het verleden placht dit gedeelte als “Gorp” te worden aangeduid. Maar ja, Gorp is zo groot en ligt niet alleen onder de gemeente Hilvarenbeek. Als er in de toekomst echter van het gebied “De Ley” gesproken wordt, hebben we een nadere omgrenzing van een specifiek gedeelte, zodat we precies weten wat er bedoeld wordt.

Hoe er heen

Men bereikt de nieuwe aanwinst van “Het Noord-Brabantse Landschap” via Goirle en de Poppelseweg. Op ongeveer een kilometer vóór de grens slaat men het zg. Gorps baantje in, een door een ANWB-paddestoel aangeduide zandweg, links van de Poppelseweg en schuin tegenover het Nieuwkerks baantje. Aan het einde van het eerstgenoemde baantje treft men aan de linkerkant een witte “barrière” aan, een plank met het opschrift “Gorp - De Ley”, waarachter een machtige beukenlaan naar het hart van het complex voert. Dit gedeelte geniet nog de meeste bekendheid, daar het vele jaren geleden de verbinding was tussen de Breehese dijk en het Gorps baantje. Sinds tientallen van jaren vormt het echter “Verboden terrein”, waardoor het geheel in zijn isolement is geraakt. Als “Het Landschap” er de scepter zwaait, zal dit niet geheel worden opgeheven doch houders van wandelkaarten zullen er in ieder geval toegang hebben.

Hubert van Beusekom

“De Ley” behoorde vroeger tot de uitgestrekte bosgebieden van Gorp, waarvan eigenaar was de heer Hubert van Beusekom, die zijn werkzaamheden in Den Haag had maar heel wat tijd op Gorp doorbracht, waar hij het zg. “Kasteeltje” bewoonde. De heer Hubert van Beusekom, die in 1939 op de leeftijd van 84 jaar is gestorven, was - met zijn welverzorgd wit baardje - een eerbiedwaardige figuur en werd eigenlijk al tijdens zijn leven een legende. In Goirle kan men u nog vertellen hoe hij tegen de avond per tram uit Tilburg arriveerde, waar dan zijn koetsier met een rijtuigje klaar stond om hem naar het ongeveer drie kilometer verder gelegen kasteeltje te brengen. Verder leeft hij in de herinnering voort als de man, die er met grote angstvalligheid tegen waakte, dat zijn landgoed door onbevoegden werd betreden, waarom er - bij de grote bosbrand van de twintiger jaren, die vanaf de Beekse dijk tot aan de Belgische grens door zijn landgoed joeg - maar weinig bluskandidaten opdoken...  Een ander facet van deze markante persoonlijkheid is dat hij bij de overheid over prima relaties scheen te beschikken, waardoor menig inwoner van de streek een rijksbetrekking, bv. bij de posterijen, aan hem te danken heeft.

Enclave

Nog tijdens zijn leven verkocht de heer Van Beusekom het grootste deel van zijn bezittingen aan de Goirlese fabrikant de heer Ed. van Puyenbroek. Een deel werd echter uitgezonderd, nl. dat wat thans de naam “De Ley” draagt en waar zijn nu ook al weer 75 jaar oude zoon thans nog een bescheiden en goed verscholen liggend landhuis bewoont. Opnieuw zou het resterend familiebezit versnipperd worden door de jongste verkoop aan “Het Landschap”. Nog altijd echter behield de heer Van Beusekom jr. zijn landhuis, omsloten door dennenbos en schaarhout en aan de achterzijde de beek de Ley als natuurlijke grens.

De hele gang van zaken op Gorp heeft er uiteindelijk toe geleid, dat het landgoed “De Ley” praktisch een enclave is in het gebied van de heer Rud. van Puyenbroek, de enige zoon van de reeds eerder genoemde heer Ed. van Puyenbroek. En wat een enclave! De voorgeschiedenis wijst er al op, dat we hier met een ongerept gebied te doen hebben en dat is eigenlijk ook zo.

Niets vergeten

Welke ingrediënten heeft een romantisch mens nodig om het landschap van zijn droom te scheppen?... Ge vindt ze hier! Er is er letterlijk geen vergeten en als we het niet zelf gezien hadden, zouden we aan een fabeltje denken!...

Neem nou die beukenlaan, die naar ‘t hart van het complex leidt, dat gevormd wordt door een fantastisch mooie boerderij! In deze tijd van het jaar staan de bomen er nog kaal bij maar straks, als het zomert, zullen hun bladerkruinen een gewelf vormen en dan zijn de bomen de pijlers van een gotische kathedraal, die men met een soort heilige schroom betreedt en waar het licht maar schemerig naar binnen zeeft.  Sommige van deze bomen, vooral die in de nabijheid van de boerderij, zijn zó dik, dat ze zich door geen paar mensenarmen omspannen laten.  Hun aan de voet breed en grillig uitlopende hoofdwortels klauwen in de grond alsof ze zich vastgrijpen in de eeuwigheid... Als deze bomen konden spreken! Welnu, ze doen het voor wie hun taal verstaat.  Niet altijd heeft hier die serene eenzaamheid van thans geheerst. Er staat geen stam, die niet besneden werd met namen en jaartallen Eens wellicht nietige inkervingen, maar door tientallen van jaren met de stam uitgegroeid tot brede maar soms nog altijd leesbare letters...  1902 lezen we daar als datum. Dat is méér dan zestig jaar geleden!  En de letters zijn niet eens zo heel dik uitgedreven door de kracht van de natuur. Zó krijgt ge enig begrip voor de ouderdom van de kolossen onder het reuzenvolk van deze laan! We hebben niet lang naar het traditionele hart behoeven te zoeken. Het was een fors hart geworden, waarvan de geestelijke vader wel lang ter ziele zal zijn, maar het hart vertelt voort van eeuwig menselijke dingen... Zolang de wereld draait, zullen er verliefde jongelingen zijn en overal op de wereld zullen er harten in bomen gesneden worden...

Centraal punt

De beek de Ley, die van België komt, en waaraan het landgoed zijn huidige naam ontleent, begrenst het aan twee kanten. Die Ley verkeert hier nog in een volkomen oerstaat, die nog door geen schendende mensenhand werd aangetast. De Ley vormt in deze streek het prototype van een Brabantse beek met hier en daar slingerende meanders, die als steeds groter wordende lussen zijn tot zij elkander raken, waardoor een beek, op geheel natuurlijke wijze, haar eigen bedding verlegt. Over zo’n beek verwacht ge een rustiek bruggetje van nauwelijks ontvelde boomstammen. Het is er met daarnaast een grote, uit eerbied voor zoveel schoons, buigende hazelaar, die ook al decennia achter zijn rug heeft. Er staan op de oeverrand eiken in labiel evenwicht, die een volgend jaar door het uitspoelen van de oever onherroepelijk geveld zullen worden... en dan is er die doorkijk op de boerderij als centraal punt van dit paradijs.

Er staan tal van boerderijen in deze streken maar geen enkele als deze. Alleen deze van het langgevelige type met het bakhuis opzij, werd steeds intact gehouden. Ze ziet er wat moe uit met haar versleten en groen-bemost rieten dak, dat “Het Landschap” zal laten restaureren, maar ze getuigt eigenlijk toch nog altijd van boerentrots en zelfs van enige majesteit. Met vele, kleine vierkante ruitjes bekijkt ze als met half dichtgeknepen oogjes haar wereldje.  ‘t Is wel lang geleden, dat ze de naam van “Nieuwe Hoef” kreeg, maar nog altijd is zij in haar in driehoekjes geschilderde venstertjes de draagster van de originele “wapen”-kleuren van Gorp: Geel en rood.

Anneke en de boerderij

Vanaf de brede hoofddeur blaft, als een gevaarlijke waakhond, een abnormaal groot bord met zwarte letters op witte grond, u de woorden “Rijksveldwachter” toe!... Oei! denkt de argeloze wandelaar. Het huis ziet er dood en verlaten uit. Hij zal wel moeten volstaan met eens naar binnen gluren door de kleine ruitjes, doch eerst waagt hij een bescheiden klopje op de deur en een rammeltje aan de klink...  Het onverwachte gebeurt na een korte stilte. De deur gaat open en daar staat Anneke van Iersel, een wat gebogen vrouw met pittige oogjes en een rap mondje. We dachten, dat ze al wel dood zou zijn, want we hadden haar in zo lang niet gezien en er zijn er wel meer op de “Nieuw Hoef” gestorven...

“Ge hoeft nie in de deur te blijven staon! Komt er mar in as ge iets weten wilt!”, noodt ze. Even later zit de wandelaar aan de tafel op de grote “hèrd”, een enorm boerenvertrek, met oude familieportretten aan de wand, waar de stoelen langs de kant staan en een vloer, waar wit zand op gestrooid had moeten zijn, schoon weggeveegd langs de stoelen, maar welk zand er nu niet is. Als een zwarte huif valt de zoldering over de bezoeker heen. Een enorme vierkante balk loopt door de kamer en haaks daarop staan de zware zolderribben. Langs één wand de zeer brede schouw - ook weer door een zware balk gedragen - en links van die schouw de ijzeren deur van de bakoven. Het open vuur van weleer is verdwenen. Er hangen ook geen boerenhammen in de zwaar-beroete schoorsteen. Die is zelfs - vanwege de trek - helemaal dichtgemetseld. Maar op de schouwrand prijken de gekleurde borden.  Wat een huis, wat een huis! Zonder een stukske triplex confectie zoals in imitatie-boerenbedoeningen van moderne landhuizen.  Anneke van Iersel is eigenlijk een verhaal apart. Het verhaal van een mensenleven en dan nog van een gelukkig mens, trots alle hardheid van het bestaan. 1896, de 18de juni, werd ze op de “Grote Hoef” op Gorp geboren als “de oudste van elf”. Met haar 13 maanden kwam ze bij haar grootouders inwonen, bij Cornelis Paulussen, die het aan het Gorps baantje gelegen café “Het Paradijs” bewoonde, dat in 1911 tot de grond toe afbrandde. “Toen ze me op de ‘Grote Hoef’ als kind kwamen halen, zeiden ze: Ge neemt ze nou wel mee, maar ge hebt ze nog niet groot! Ja, ik was toen ‘n ‘min dingske’ verduidelijkte ze. Ik kos wel daansen in een bierglas! En kijk nou es!” We kijken! Anneke heeft nooit spijt van die tijd gehad. “Ik heb het er altijd goed gehad al was het hard werken.” Het doet goed zo’n tevreden mens vandaag aan te treffen.

Die Paulussen was boswachter en zijn nakomelingen waren het ook toen Anneke op de hoef van thans kwam. Jan Paulussen, de laatste boswachter, haar oom, stierf 12 december 1963 en diens broer ging hem op het einde van de oorlog voor. Deze overleed in de kelder van de hoef, want er werd toen op Gorp zwaar geschoten. Aangezien al die oppassers onbezoldigd rijksveldwachter waren, is het huidige bord op de deur verklaard.

Het is wel duidelijk, dat Anneke van Iersel niet zonder Gorp kan.  Eigenlijk is ze de ongekroonde koningin van Gorp al regeert ze alleen over een koe, een vaars en wat kippen. Zonder haar zou Gorp en thans “De Ley” iets van zijn wezen verliezen.

Ook een vennetje

Maar nog hebben we niet alles verteld. Achter de boerderij, waar eigenlijk nooit een mens komt, ligt een groot perceel mastenbos en hei, zó ongerept, ruig en wild als het O.L. Heer geschapen heeft. En om aan de laatste eis te voldoen droomt in die ruigheid, als een glanzend koeienoog, een klein donker vennetje waarvan de wereld geen weet heeft...

Zijn er de ingrediënten voor landschapsschoon of zijn ze er niet?  Dit is dan het nieuwe bezit van “Het Landschap”... We mogen er wel dankbaar voor zijn, dat dit zo behouden wordt!...

PIERRE VAN BEEK

“Gorp”, streek vol eigen sfeer

Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 9 juli 1966

Weinig bekend, weinig bezocht, stil en verdroomd ligt ten zuiden van Goirle - in hoofdzaak op het gebied van de gemeente Hilvarenbeek - het landgoed “Gorp”. Sinds de Stichting “Het Brabantse Landschap” een klein gedeelte hiervan heeft aangekocht, is de naam “Gorp” een paar jaar geleden in het nieuws gekomen. Ter onderscheiding van het overige en veel groter deel van “Gorp” heeft men het bezit van de Stichting de naam “Gorp de Ley” gegeven. Het is thans echter niet dit stuk maar dat andere deel van “Gorp” waarvan wij wat vertellen  willen.

“Gorp” is eigendom van de heer R. van Puyenbroek uit Goirle en

alleen toegankelijk met speciaal uitgegeven wandelkaarten. Het

landgoed wordt echter doorkruist door een paar openbare wegen.  Wij beperken ons hier tot wat er vanaf de openbare weg te zien is. Dit houdt echter al zoveel interessants en zoveel natuurschoon in, dat men zich in verbazing afvraagt hoe het toch komt, dat dit land zó dicht in de buurt van Tilburg eigenlijk nog helemaal niet ontdekt is. Maar nu wordt dit “Gorp” dit weekend plotseling in het licht van de schijnwerpers gezet. Fijnproevers hadden een idee. Tijdens de traditionele Kempische Cultuurdagen zal de Hilvarenbeekse literatuurprijs op het centrum van “Gorp” worden uitgereikt.  Daarvoor bestaan meerdere gronden, waarvan ditmaal wel de voornaamste ligt in het feit, dat op dit stille “Gorp” in voorbije eeuwen de wieg van een groot Beekenaar gestaan heeft.

De toegangswegen tot “Gorp” zijn alle zandwegen. In de tijd dat men er met de fiets op uit trok, waren ze afdoende, maar er bestond toen niet zo’n algemene trek naar de natuur als nu het geval is. Thans, nu het allemaal met de auto moet gebeuren, heeft deze het wel een beetje te verduren op de zandwegen, maar men ziet zijn moeite beloond.  De aardigste weg loopt voor ons nog altijd via Goirle. Men neemt bij de oude kerk van St. Jan de Doper de richting Poppel (Bergstraat) maar slaat bij de eerste verharde weg links af.  Over wat hobbelige keien passeert ge een brug over de Ley.  Links van de brug, in de huidige tuin van de heer Van Puyenbroek, stond vele jaren geleden de Goirlese watermolen, waaraan de naar de brug voerende Watermolenstraat nog haar naam heeft te danken. Vier en een halve eeuw lang heeft die watermolen op de Ley gestaan. Plannen van de heer J. Botermans (hij werd in 1903 eigenaar van de molen) om de sluizen dienstbaar te maken aan de bevloeiing van “De Vloed”, waarvoor goedkeuring werd verkregen, betekenden het einde van de molen.  Tot in het begin van deze eeuw heeft men aan het perceeltje gemeentegrond “De Gemeijnt” nog de oude schuur van de voormalige molen kunnen zien. Een deel van de molenwiel vormt nu een vijver in de tuin van de heer Van Puyenbroek.

“Goolse Vloed”

De Leybrug gepasseerd, komt men aan een met klinkers verharde weg en ‘n daarmee parallel lopende zandweg, welke laatste weg openbaar is. Beide wegen slingeren zich langs de roemruchte “Goolse Vloed”, zeer laag gebleven weilanden. De bevloeiingsplannen van weleer zijn een mislukking geworden, maar “De Vloed” genoot in het begin van deze eeuw tot in Tilburg een reputatie als ijsbaan, want in de winter stonden deze weilanden totaal onder water. Voor een deel van “De Vloed” geldt dit laatste ook thans nog. “De Vloed” is ooit beplant geweest met honderden Canada-populieren, maar ook dat is verleden tijd. Op een perceel links over de brug treft men nog enige populieren aan die uit diezelfde tijd dateren.

De weg slingert zich om een ANWB-paddestoel, die vermeldt:

“Gorp 3.1 km; Rovert 4.9 km”. Men volgt de pijl van deze paddestoel en niet de klinkerweg met het witte bord “Gorp, De Rovert”, want anders raakt ge op particulier terrein.

“Breehees”

Het nu volgend weggedeelte behoorde tot voor kort tot een van de meest aantrekkelijke Brabantse zandwegen. Deze zomer werd hier echter een asfaltweg gelegd, die de mulle zandweg een deel van zijn karakter ontnomen heeft, maar voor de automobilist een verademing betekent. Rechts vergezellen weilanden de weg, links afgesloten dennebossen. Vlak langs de weg ligt het geheel door mast en hei ingesloten restant van wat eens de “Holle vennen” genoemd werden. Zij lagen tegenover elkaar aan weerszijden van de “Breehese dijk”. Een van de twee is echter aan de ontginning ten offer gevallen. Dan komt men aan het gehucht “Breehees”, een verzameling van enkele boerderijen bij de laatste waarvan de verharde weg ophoudt.  Hier eenmaal voorbij, rijdt men eigenlijk “Goor” binnen over een niet zo goede zandweg maar door een prachtige berkenlaan.  Hier wordt ge door “Gorp” als het ware omarmd. De natuur slaat zich als een mantel van groen, dennen, sparren en loofhout om de bezoeker om hem voorlopig niet meer los te laten. Bij zwaar bewolkte hemel is de sfeer er gedrukt en vol weemoed, doch op een heerlijke zonnedag als die van het voorbije weekeinde is het er feest. Een deel van “Gorp” draagt de naam “Het Paradijs”, maar hier is eigenlijk overal het paradijs. De natuur trekt op zo’n dag alle registers open. Via de “Grote Hoef” (naam staat op een ovaal bord tegen de gevel te lezen), langs beuken als zuilen en booggewelven van een kathedraal belandt ge op het punt, waar wij u heen wilden voeren.

“De Koepel”

Een merkwaardige boerderij trekt de aandacht. Dat is de “Leenhof”, in de volksmond beter bekend als “De Koepel”. Er ligt een brede gracht voor, waaroverheen een deels rustieke brug voert naar een merkwaardig aanbouwsel aan de boerderij, een zeshoekig gebouwtje met rieten dak en een hooggelegen deur, waartoe een stenen trapje toegang geeft.  De voormalige boerderij is van het langgeveltype. Met kleine ruitjes en fris geschilderde venstertjes in de kleuren rood en groen (hoewel de oude kleuren van “Gorp” geel en groen zijn), kijkt zij naar de wereld. De zijgevel, waar ook nog een oud bakhuisje tegenaan geplakt zit, is een schilderspalet van kleuren, die bijna transparant schijnen te worden wanneer er de zonnevlekken op hangen te wiegen, welke zeven door het gebladerte van de bomen die het fotogenieke complex voor een deel overschaduwen. Aan de voorzijde van de boerderij steekt de lange witte gevel met blauwe schaduwvakken vrolijk af tussen al dat groen van het omringend geboomte.

Goropius

Op een nieuwe weide naast “De Koepel” zullen de mensen van de Kempische Cultuurdagen zich verzamelen. Hier in de schaduw van beuken en eiken in “het Leenhofke van Gorp” groeide op de humanist Joannes Goropius Becanus (1519-1572). Zijn vader heette Gerard en hijzelf droeg eigenlijk de naam Jan Gerartsen van Gorp, wat hij later - volgens de geleerdengewoonte uit die tijd - latiniseerde tot Goropius Becanus. Zijn moeder was Mechtildis Coremans, die “een vrouw van niet alledaagse geestesbegaafdheid” genoemd wordt. Zijn oom van vaderskant was witheer van Tongerloo en de abt van Tongerloo (1559) Jacobus Veltacker uit Diessen was zijn neef.  Voorvaderen van onze Goropius, die o.a. aan de kapittelschool van Hilvarenbeek en bij de school van de “Broeders des Gemenen Levens” in Den Bosch studeerde voordat hij naar Leuven trok om daar in 1539 te promoveren in de letteren en wijsbegeerte, hebben de streek van Gorp in cultuur gebracht. Later gaf de familie Van Gorp de landerijen aan anderen in pacht.

Veelzijdig

Goropius studeerde ook nog wiskunde en geneeskunde en hij werd voor wat het laatste betreft zó hoog aangeslagen, dat Karel V hem naar Spanje riep als lijfarts van diens twee zusters, de koninginnen van Hongarije en Frankrijk. Bij testament begiftigden de koninginnen hem met een jaargeld. Ook Philips II deed zijn best hem tot geneesheer te krijgen, maar Goropius weigerde en trok naar Antwerpen om te studeren. Hier trouwde hij een adellijke dame Catharina de Cordes van wie hij twee dochters kreeg. In 1570 vertrok hij naar Luik om daar stil te leven, echter niet zonder studie en wetenschappelijk contact.  Hij overleed in 1572 te Maastricht op 28 juni en werd begraven in de Franciscanerkerk te Antwerpen. Een mooie grafsteen dekt hier zijn gebeente.

Taalwetenschap

Deze Brabander was een der eersten die zich met vergelijkende taalwetenschap bezighield. Hij kwam met veel geleerdheid tot conclusies, waarom nu niet alleen de wetenschap lachen moet.  Ergens echter blijkt weer, dat zijn opvattingen over taal en dialect, leenwoorden en fonetiek opvallen door juistheid. Dat geldt niet van zijn verklaring, dat het Antwerpse dialect de oudste taal der wereld is. Hij meende: duyts is douts en duytse taal is dus “de oudste” taal. Adam en Eva zouden dus ook “Hollands” gesproken moeten hebben. Zelfs Goropius’ dienstmaagd nam haar heer op dit gebied blijkbaar niet serieus. Naar verhaald wordt, meende zij de kunst van de woordafleiding ook wel te kennen. Omdat onze Becanus een “vooruitstrevende en gebogen” neus bezat, verklaarde zij Becanus als “Bek aan neus”. Se non è vero. De Beekse Pickwick-club zou aan haar ongetwijfeld een verdienstelijk medelid gehad hebben.

Eigenaren

“Gorp” heeft in de loop der jaren verscheidene heren gehad, oorspronkelijk Zuid-Nederlandse baronnen en adellijken van Spaanse afkomst. O.a. regeerde er baron de Zerezo en Osy de Wichem. In 1737 was Cornelius Bles, notaris te Tilburg, eigenaar. In de jongere tijd was het landgoed eigendom van notaris M. Huysmans uit Hilvarenbeek, die als bezitter werd opgevolgd door A.P. Hubert van Beusekom uit Rotterdam terwijl de huidige eigenaar is de heer R. van Puyenbroek uit Goirle.  De heer Hubert van Beusekom, die het landgoed hermetisch afgesloten hield tot misnoegen van de bewoners uit de naaste omgeving, die daarom niet zo hard liepen om de grote bosbrand te blussen, welke er in de twintiger jaren woedde, vertoefde vaak op “Gorp”.

“Het Kasteeltje”

Hij bewoonde dan het zg. kasteeltje, dat men vanaf “De Koepel” door het geboomte ziet schemeren. Het ontleent ongetwijfeld zijn naam aan de twee elegante torentjes aan de voorgevel.  Eens verkeerde het in een vrij verwaarloosde toestand. De heer Van Puyenbroek heeft het al jaren geleden laten opknappen.  Toen is ook de grote glazen waranda aan de voorzijde  verdwenen.  Vóór het kasteeltje staat ‘n beeld van Diana, de godin van de jacht. Het siert eigenlijk het graf van enige honden van de heer H. van Beusekom. Hiervan getuigde een aantal jaren nog een kleine hardstenen plaat, die voor het beeld lag en het opschrift droeg “nostris canibus fidelibus” (voor onze trouwe honden). Die plaat is nu verdwenen. Diana had in de loop der tijden een arm verspeeld, maar deze blijkt intussen  “aangegroeid”.

Vol sfeer

Dit complex: “De Koepel” en “Het Kasteeltje” vormen het hart van “Gorp”. Er heerst hier een geheel eigen sfeer, melancholisch in voor- en najaar, juichend maar zonder te grote uitbundigheid op een zomerdag van zon. Vooral tijdens de ochtenduren als ge niets hoort dan het gekwetter van vogels, krijgt ge het gevoel hier een vinger in de hemel te soppen.  Van “Gorp” kan men via een zandweg Hilvarenbeek bereiken. Ge kunt ook doorrijden naar “De Rovert” en vandaar naar Hilvarenbeek, waarbij ge dan vooral op het silhouet van Beek moet letten. Dit alles bijeen vormt vanuit Tilburg een mooie rondrit, weinig kilometers maar het neusje van de zalm.  Kortom: Brabant op z’n best!

PIERRE VAN BEEK

              

“De Roovert”, boeiende streek, waar twee landen elkaar raken Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 16 mei 1964 Een uit landschappelijk oogpunt mooi en interessant gebied, waarop recreatiezoekend Nederland eigenlijk nog niet het oog heeft doen vallen, vormt de streek ten zuiden van Goirle, die bekend staat als Roovert. We hebben hier te doen met een grensgebied, want de Belgische grens snijdt er dwars doorheen.  Zowel de bewoners aan de Belgische als die aan de Nederlandse kant van “de meet” spreken van Roovert of “De Roovert” en zij doen het met liefde. Vooral degenen, die hier van oudsher gewoond hebben, want voor hen is dit afgelegen bos- en heidegebied tot een heem geworden, waaraan ze met al de vezelen van hun hart en ziel verbonden zitten. Dit geldt echter uitsluitend voor het gedeelte aan de Belgische kant, waar in de boerenbedoeningen de geslachten elkaar - honkvast als ze waren - hebben opgevolgd. Aan de Nederlandse kant daarentegen verwisselen de bewoners van de weinige huizen nogal eens. Het is over dit gebied vóór en óver de grens, dat wij hier iets vertellen willen.

Een grensgebied vormt in méér dan één opzicht een merkwaardige streek. Wij, die in Tilburg als praktisch met de neus tegen de grens zitten en er mee vertrouwd zijn, realiseren ons dat niet, maar is het niet curieus, dolend door de natuur zich plotseling te weten voor de alleen op een kaart voorkomende “streep”, waar Nederland ophoudt en een ander land, hier België begint. En waar men rustig, zonder iets van douane of slagbomen te merken, van land naar land wandelt? Dat zijn zo van die kleine avonturen, die het grootste deel van Nederlands ingezetenen niet kan beleven.

Toevallig bezit de grens op Roovert een uitzonderlijk accent, doordat zij loopt over een karakteristiek stenen bruggetje, waarbij een ijzeren grenspaal in de vorm van een gerekte piramide, op veelhoekig voetstuk, als een gendarm de wacht houdt. Het is hier dus mogelijk met de ene voet in België en de andere in Nederland te gaan staan, een liefhebberij, die door kinderen graag beoefend wordt.

Twee leeuwen

De grenspaal draagt nummer 209 met het jaartal 1843. Hij is verder getooid met de Nederlandse leeuw aan de ene en de Vlaamse leeuw aan de andere kant. “Als de leeuw water drinkt, is het met de Ley mis”, zegt Jan Hendriks, de oude Vlaamse boer, die in de eerste wereldoorlog aan de IJzer vocht en bij de gevechten op Roovert tussen zijn koeien lag toen de granaten vlak naast hem insloegen en zijn boerderij in brand geschoten werd. Als der Vlaamse leeuw water drinkt - maar dat doet hij, als Vlaming, natuurlijk niet zo gemakkelijk! - betekent dit dat de Ley overstroomt en dan is het verkeer gestremd. Uiteraard komt dit alleen des winters voor.  Het bruggetje welft zich over de van België komende beek de Ley. Een prachtige beek, die hier nog ongetemd en onbedwongen in vele kronkelingen haar weg zoekt door de aangrenzende landgoederen van de heer R. van Puyenbroek uit Goirle en verder in haar bovenloop, op Belgisch gebied, door de weidse akkerlanden op de hoge zandgronden van de gehuchten Hulsel en Overbroek.

Verborgen barricade

Over het bruggetje loopt de echte Brabantse zandweg, die sinds loude tijden de rechtstreekse verbinding vormt tussen Hilvarenbeek en Poppel en die eens méér bedrijvigheid gekend heeft dan thans het geval is. Met een opvallend opgezette rug als van een boze kater loopt de weg over de brug. Ingewijden weten dat de weg hier voor de oorlog horizontaal over de brug ging en dat hij voor wagens en voertuigen was afgesloten met spoorstaven, die daar waren aangebracht tegen het smokkelen met voertuigen. Want gesmokkeld wordt er in een grensstreek als deze ten alle tijde al is de intensiviteit daarvan uiteraard onderhevig aan schommelingen der conjunctuur aan beide zijden der grens. Nu eens is het boter, dan weer vee en tijdens de oorlogsjaren was het vooral shag. Wellicht komen straks de sigaretten aan de beurt!

Toen Duitse troepen hier in de oorlog met hun tanks en pantserwagens passeerden, hadden ze niet veel moeite met de barricade. De spoorstaven werden niet eens verwijderd. Men kapte eenvoudig een partij jonge bomen en struikgewas, dat links en rechts van de weg overvloedig aanwezig was en stapelde dit zó hoog tegen de staven op, dat ze geen belemmering meer vormden. Later is hier zand overheen gekomen en zo kwam de overgang over het bruggetje aan zijn “gebogen rug”. Naar onze mening zijn de spoorstaven nog steeds aanwezig.

Oorlogsgeweld

In de laatste dagen voor Tilburgs en Goirles bevrijding is het er in deze contreien warm toegegaan. Zes weken lagen Duitsers en de zich in Poppel bevindende Engelsen hier tegenover elkaar en er werd in die tijd geducht geschoten. Heel wat bomen zijn er toen gesneuveld en andere vertonen nu nog altijd de sporen van de strijd. Vooral het landgoed van de heer Van Puyenbroek was bezaaid met door de Duitsers gegraven kuilen, waarin zij beschutting zochten met gebruikmaking van bij de schaarse bewoners van deze streek geroofde goederen. Bij de bevrijding vloog een twintigtal meters op Belgisch gebied een Engelse pantserwagen, die op een Duitse landmijn reed, de lucht in, wat aan twee bevrijders het leven kostte. Zij werden provisorisch op het akkerland naast de weg begraven totdat later de geallieerde gravendienst de stoffelijke resten heeft opgehaald.

Het is moeilijk zich deze oorlogstonelen voor de geest te halen als men mijmerend zit op de schuine kant van de brug en zijn vreugden beleeft aan het spel van de zon, die door het dichte gebladerte grillige figuren van schaduw weeft op de gele, zandige bodem van de Roovertse Ley. Het is hier een land  vol sfeer.

Hart van Roovert

Er is trouwens meer. Nog geen honderd meter over de grens vlekt helder wit, gedeeltelijk door geboomte bedekt, een kapelletje. Het is het Rooverts kapelleke, het hart van Roovert voor het Belgische deel van de bevolking maar evenzeer gekend en bemind door de bewoners aan de overzijde van de grens. Zoals alles hier ademt de omgeving van deze kapel een serene landelijke rust. Het door de omwonenden goed onderhouden achthoekige gebouwtje vertoont de tekenen van de barokstijl. Het bezit aan weerskanten een ovaalvormig venster, een getraliede houten deur aan de voorzijde en een sierlijk gegolfd dak van blauwe leien. Het contrasteert prachtig tegen de donkere achtergrond van beuken en dennen en er is een kleine plantsoenaanleg, waarin enige aangeplante rododendrons fleur verlenen.

Wodans vergaderzaal

Aan de achterzijde staat een laaggetakte oude beuk, die tot voor enige jaren zijn brede kruin beschuttend uitstrekte over een rustieke bank. De bank is aan de tand des tijds ten offer gevallen en men heeft in de nabijheid een nieuwe geplaatst al is het onverklaarbaar waarom zij niet opnieuw onder de majestueuze boom werd opgericht. Het is hier zo’n uitgelezen plaats voor het vergaderen van de “vierschaar”, zoals weleer de Germanen hun zittingen hielden onder de Wodans eik. En een aantrekkelijker plek voor buurpraatjes valt ook nauwelijks te denken. De beuk beschut voor de regen en in de zomer beschermt hij tegen de felle zon. Volgens kenners van de streek is het gebied voor de kapel ‘s zomers het warmste deel van heel Roovert. Ruig is dan de zandweg want dan ligt daar “trekkebeen” begraven, d.w.z. dat men er met een fiets moeilijk doorheen komt. De natuurvriend behoeft zich daardoor echter niet te laten ontmoedigen, want nog geen kilometer verder België in  begint een nieuwe betonweg naar Poppel, die wel afbreuk gedaan heeft aan het landelijke schoon van weleer, maar voor de bewoners van Roovert, Hulsel en Overbroek een groot gerief betekent.

“Bergen en dalen”

Ruig woest is het gebied links van de kapel. Jaren geleden heeft men er de oude mast gekapt doch de gemeente Poppel heeft er weer nieuwe aangeplant, die echter nog maar goed en wel boven de grond uitkomt. Sinds kort is dit terrein tot “verboden gebied” verklaard, zodat het uit is met het vagebonderen in deze streek, die tot voor enige jaren nog door een karspoor doorsneden werd. Niettemin willen we wel verklappen, dat ge hier achter het nog aanwezige bos “bergen en dalen” aantreft, waar de bomen gekapt zijn, zo mooi en hoog als ge hier zeker niet zoudt verwachten. Maar pas op dat Vital u niet in de kraag grijpt. Vital, de Poppelse jachtopziener, regeert hier figuurlijk maar ook letterlijk met ijzeren hand al heeft hij het dan op de eerste plaats op stropers voorzien.  Ge kunt hem onmiddellijk kennen, want hij is oorlogsinvalide.  Hij heeft een houten been en een kunstarm, die in een gebogen haak eindigt, aan welke laatste omstandigheid hij de bijnaam van “den ijzeren” te danken heeft. Vroeg of laat zult ge hem zeker eens tegenkomen.

Maar laten we tot onze kapel terugkeren. Zij staat gebouwd op historische grond en bezit een legende, die schoon werd verzonnen en in beeld gebracht maar toch in ieder geval haar oorsprong in historische feiten vond. Roovert is niet zo onbetekenend geweest als het nu lijkt.

“Het Wit Huis”

Vóór 1853 liep over Roovert de grote baan van Turnhout, via Poppel, Roovert, Hilvarenbeek naar Tilburg. Vanaf 1830 stond aan deze baan een tolhuis, dat “Het Wit Huis” genoemd werd.  Vermoedelijk was dit de nagenoeg geheel verbouwde en gerestaureerde boerderij op Hollands gebied nog geen honderd meter van de grens eigendom van de heer R. van Puyenbroek.  Deze nu tot een riant aandoend woonhuis ingerichte “boerderij” wordt nog altijd met de naam “Het Wit Huis” aangeduid. Van hier uit is het te voet precies een uur naar de bebouwde kom van Goirle. Achter “Het Wit Huis” vindt men een losstaand, ouderwets bakhuis en een waterput. Het karakteristieke en buitengewoon schilderachtige met stro gedekte “karhok” heeft echter bij de restauratie van jaren geleden het veld moeten ruimen. Op oude kaarten staat “Het Wit Huis” met de naam “De Rook” aangeduid. Er wordt verhaald, dat hier de woeste legeraanvoerder Maarten van Rossum eens zijn intrek zou genomen hebben. Dit moet dan in 1542 geweest zijn toen de woesteling in deze streken o.a. te Hilvarenbeek plunderde. In ieder geval is “Het Wit Huis” of “De Rook” in zijn oorsprong van zeer eerbiedwaardige datum.

In 1331 gaf Jan III, hertog van Brabant, o.a. de Roovertse hei aan de gemeente Hilvarenbeek. In 1390 passeerde hier Joanna, Hertogin van Brabant, van wie Roovert een oud leengoed is. Om nog andere reden heeft Roovert historisch betekenis. Toen in 1648 de uitoefening van de katholieke godsdienst in de Meijerij verboden werd, bouwden de inwoners van Hilvarenbeek op Roovert een schuurkerk zoals die van Goirle dat deden op Steenvoort, het huidige Nieuwkerk. De tegenwoordige kapel van Roovert staat op de plaats van de voormalige schuurkerk, echter niet als herinnering aan de geloofsvervolging maar om een ander feit, waar we nog over zullen spreken. Die Roovertse schuurkerk werd van 1648 tot 1674 beheerd door pastoor Gijsbertus van Grensven, die te Weelde woonde en per paard naar Roovert kwam gereden. We zijn ook een lijstje machtig geworden van zijn opvolgers. De volgende pastoors deden in de schuurkerk dienst: Telephorus Coene van 1674-1679, Philippus Rijsbosch van 1679-1699, Petrus Bruers van 1700-1713, Joannes Verhees van 1713-1725. Dat leren in Poppel op de meisjesschool de leerlingen van zuster Josefa, een religieuze met veel liefde voor de streek en die daar daarom graag over “klapt”.  Ze laat haar kinderen, waartoe ook die van Roovert behoren, mooie boeken tekenen, waarin Roovert alle aandacht krijgt.

Tot 1722

Zo lezen we in zo’n zelfgemaakt schoolboek over de schuurkerk:

“Alles wat men uit de kerk van Hilvarenbeek kon verdragen, werd naar de schuurkerk in Roovert overgebracht. De altaren, het orgel, de banken enz. Daar werd dan op zon- en feestdagen de H. Mis gezongen, de H. Communie uitgedeeld, biecht gehoord en er werden ook de andere sacramenten ontvangen. De zielemissen en lijkdiensten hadden op Roovert plaats, maar de lijken werden op het kerkhof in Hilvarenbeek begraven. De inwoners van Hulsel deden in alles mee. Doch later, in 1722 wanneer de schuurkerk in het dorp Hilvarenbeek mocht opgericht worden, kwamen de inwoners (vermoedelijk die van Hulsel bedoeld) terug naar de kerk van Poppel.” Aanleiding tot oprichting van de kapel op Roovert werd tenslotte een heiligschennende diefstal in 1735 in de Poppelse kerk. Maar dat is ‘n verhaal apart, dat men hier elders aantreft.

PIERRE VAN BEEK

              

 

Favourites
Slide show
This family tree has no images to display.
On this day
No events for living people exist for today.
Who is online